De biologische landbouwer gebruikt natuurlijke mest om de bodem vruchtbaar te maken en natuurlijke middelen om ongedierte tegen te gaan. Dus geen kunstmest en chemie. De natuur speelt daardoor een grotere rol in de productie. Dit betekent dat de boer meer aandacht en kennis in de gewassen moet steken en meer moet samenwerken met de natuur.
Onkruid wordt met de hand of door slimme machines uit de grond gehaald. Bijvoorbeeld door robot Ruud die met een camera onkruid herkent en uit de grond trekt.
In de akkerbouw wordt vruchtwisseling toegepast om de bodem gezond te houden: dit betekent (kort gezegd) dat elk stukje land elk jaar voor een ander gewas wordt gebruikt. Dierlijke mest en compost zorgt voor een gezonde, levende bodem. Die bodem is het kapitaal van de biologische boer. Biologische grond bevat veel meer biodiversiteit, heeft een betere waterhuishouding en slaat meer organisch materiaal op - dat is weer gunstig voor het klimaat. De gewassen zelf krijgen vaak meer tijd om te groeien, wat de smaak en kwaliteit ten goede komt.