Negen biologische boeren uit alle delen van het land hebben zich kandidaat gesteld voor de online verkiezing 'Lekkerste Bio Boer 2013'. De verkiez
Bionext
Laan van Vollenhove 3221
3706 AR Zeist
Telefoon: +31 30 233 99 70
Mail: info[at]bionext.nl
Onderzoek ondersteunt de claim dat biologische landbouw en voedselproductie de lucht, water en bodem veel minder belast met bestrijdingsmiddelen dan gangbare landbouw. Voor een aantal sectoren is aangetoond dat de stikstofuitspoeling en ammoniakemissie bij biologische landbouw duidelijk minder is. Dat biologische landbouw minder bijdraagt aan de eutrofiëring van oppervlaktewater, is bewezen voor de melkveehouderij. Al met al zijn er duidelijke bewijzen dat biologische landbouw op deelgebieden beter presteert dan gangbare landbouw, als het om milieu gaat. Volgens de WUR bespaart dit de maatschappij nu al 10 miljoen euro per jaar aan waterzuiveringskosten.
Brochure
In samenwerking met de Task Force Biologische Landbouw ontwikkelde Biologica in 2007 de brochure "Wat we weten over Biologisch en Klimaat & Milieu", gebaseerd op recente onderzoeken. U kunt de brochure hier downloaden (PDF).
Eerdere rapporten
In juni 2003 heeft Biologica een overzicht gemaakt van de situatie en bevindingen tot dan toe. Hierin staan bevindingen over het milieu in bredere zin dan alleen klimaatopwarming. Er wordt gekeken naar bodemleven, landschap, luchtkwaliteit, waterkwaliteit, bestrijdingsmiddelen en stikstofhuishouding. Opvallend is dat volgens deze gegevens biologische landbouw ook wat betreft stikstofuitstoot beter zou presteren dan gangbare landbouw. Dit lijkt in tegenspraak met de bevindingen van het hierboven genoemde Engelse onderzoek.
Rapport uit juni 2003:
1. INLEIDING
De Nederlandse overheid onderkent de positieve effecten van biologische landbouw op milieu en natuur. In de beleidsnota biologische landbouw 2001-2004 (Een biologische markt te winnen) staat: "Uit een oogpunt van maatschappelijk verantwoord ondernemerschap scoort de biologische sector hoog, omdat de biologische productie in alle schakels van de keten in hoge mate voldoet aan maatschappelijke eisen op het gebied van milieu, dierenwelzijn en biodiversiteit".
In deze factsheet geven we een tussentijds overzicht van de wetenschappelijke bevindingen die het standpunt van LNV ondersteunen. Het grootste deel van de informatie is ontleend aan rapport dat werd geschreven in opdracht van de EU-commissie: The environmental impacts of organic farming in Europe (Stolze e.a., 2000). In dit rapport hebben de onderzoekers gebruik gemaakt van niet minder dan 293 bestaande publicaties.
In mei 2002 publiceerde Science de resultaten van het zogenaamde DOK-onderzoek in Zwitserland, waarbij al 21 jaar biologische, biologisch-dynamische en gangbare landbouwsytemen worden vergeleken (Mäder e.a., 2002). Hieruit blijkt dat het biologische landbouwsyteem een betere bodemvruchtbaarheid kent en meer biodiversiteit.
Ook Kopke (2002) heeft een uitvoerig overzicht gemaakt van vooral de Duitse kennis over de milieuprestaties van de biologische landbouw. Zijn conclusies komen zeer goed overeen met die van Stolze e.a. (2000). Deze resultaten worden dan ook alleen genoemd als ze afwijkende of aanvullende gegevens bevatten. Eind 2002 heeft de FAO een boek over het thema van deze factsheet uitgebracht waarin de conclusies van Stolze e.a. worden bevestigd.
In de samenvattende tabel van het EU-rapport (en in deze factsheet) zijn de milieueffecten beoordeeld per oppervlakte-eenheid en niet per kilogram opbrengst. Op dit moment streeft Europa immers niet naar intensivering van de landbouw. Het areaal landbouwgrond is relatief constant en er is vaak sprake van overproductie. Terwijl er vroeger naar gestreefd werd om ook marginale gronden volledig productief te maken, is er nu een trend om marginale gronden marginaal te houden. De milieueffecten per oppervlak zijn daarom een beter beleidsinstrument dan de effecten per kilogram opbrengst.
2. EFFECTEN OP HET ECOSYSTEEM
In gebieden met agrarische activiteit is biologische landbouw het minst belastende systeem voor natuur en landschap. In de volgende paragrafen wordt de invloed op het ecosysteem aangegeven. Biodiversiteit is buiten beschouwing gelaten omdat dit al elders wordt behandeld.
2.1 Bodemleven: meer bodemactiviteit
Biologische bedrijven tonen beduidend meer bodemleven, en van een grotere diversiteit, dan gangbare bedrijven. Een grote biologische activiteit in de bodem ondersteunt de wisselwerking tussen bodem en planten en is onmisbaar voor duurzame plantaardige productie en goed nutriëntenbeheer. De grotere diversiteit is af te meten aan de hand van het aantal regenwormen en de microbiologische activiteit. Verbeteringen in de bodem ontwikkelen zich langzaam; duidelijke verschillen zijn pas na een jaar of acht merkbaar. Dit werd ook aangetoond in het zogenaamde DOK-onderzoek in Zwitserland waarbij al 21 jaar biologische, biologisch-dynamische en gangbare landbouwsytemen worden vergeleken (Mäder e.a., 2002).
2.2. Landschap: betere integratie in omgeving
Een recente Nederlandse studie van de Wageningen Universiteit (Hendriks e.a.,2000; Stobbelaar en Hendriks, 2001) is positief over de bijdrage van biologische landbouw aan het behoud van het landschap. De auteurs concluderen: "Bij hetzelfde bedrijfstype en hetzelfde landschapstype dragen de biologische bedrijven sterker bij aan de landschappelijke kwaliteiten van de streek dan de gangbare bedrijven. De biologische bedrijven blijken beter in staat om de kenmerkende ruimtelijke en temporele relaties van de streek te benadrukken."
Het EU-rapport geeft aan dat de methodologie om landschappelijke kwaliteit te kunnen beoordelen, weinig ontwikkeld is. De invloed van het biologische bedrijfssysteem is moeilijk te scheiden van de invloed van reeds bestaande landschappen en individueel initiatief. De onderzoekers trekken daarom geen harde conclusies.
3. EFFECT OP KLIMAAT EN LUCHTKWALITEIT
Luchtverontreiniging wordt veroorzaakt door allerlei stoffen, zoals ammoniak en chemische bestrijdingsmiddelen. Broeikasgassen beïnvloeden het klimaat. In de volgende paragrafen worden de verschillende milieueffecten besproken.
3.1. De broeikasgassen: tendens minder uitstoot
In biologische landbouw ligt de emissie van broeikasgassen over het algemeen lager dan bij gangbare landbouw. De klimaatverandering als gevolg van het broeikaseffect is een van de grootste hedendaagse milieuproblemen. Het broeikaseffect wordt vooral veroorzaakt door de uitstoot van de broeikasgassen koolstofdioxide, lachgas en methaan.
3.2. Ammoniak: tendens minder uitstoot
Het EU-rapport stelt dat de potentiële emissie van ammoniak (NH3) bij biologische systemen lager zal zijn dan bij gangbare, als gevolg van de lagere veedichtheid. Het rapport maakt echter ook melding van een overzichtsartikel van Unwin, waarin geen verschil tussen beide systemen werd vastgesteld. De EU-onderzoekers concluderen dat er een tendens is voor een lagere NH3-emissie bij biologische systemen.
In de biologische pluimvee- en varkenshouderij, waarbij de dieren buiten kunnen lopen, kunnen we veronderstellen dat de uitstoot van ammoniak hoger is in vergelijking met de intensieve pluimvee- en varkenshouderij, waarbij de ammoniak in gesloten stallen kan worden opgevangen.
3.3. Chemische bestrijdingsmiddelen: geen uitstoot
Chemische bestrijdingsmiddelen zijn niet toegestaan in de biologische landbouw. De EU-publicatie concludeert dan ook dat de luchtverontreiniging door deze middelen aanzienlijk groter is bij de gangbare landbouw.
4. EFFECT OP WATERKWALITEIT
Verschillende stoffen hebben invloed op de waterkwaliteit; vaak komen ze door uitspoeling in het grondwater terecht. Het gaat met name om bestrijdingsmiddelen en nitraat. In de volgende paragrafen worden deze stoffen besproken.
4.1. Bestrijdingsmiddelen: minder verontreiniging
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen chemische bestrijdingsmiddelen en middelen van natuurlijke oorsprong. De eerste worden niet gebruikt in de biologische landbouw, de tweede soms wel.
4.2. Nitraat: minder uitspoeling
De laatste vijftien jaar is veel onderzoek gedaan naar de mogelijkheden om de nitraatbelasting van grondwater en oppervlaktewater te beperken, zowel in de gangbare als biologische landbouw. Het EU-rapport staat uitvoerig stil bij dit onderwerp, gezien het grote belang voor de kwaliteit van het drinkwater en oppervlaktewater. Hoge nitraatgehaltes leiden tot eutrofiëring en verstikking van oppervlaktewaters.
De beste maatstaf voor nitraatbelasting van het milieu is de nitraatuitspoeling naar grond- en oppervlaktewater. Onderzoek hiernaar is nog beperkt: de kwaliteit van het diepere grondwater moet worden gemeten, wat de onderzoekingen complex en duur maakt.
In plaats van de feitelijke uitspoeling wordt daarom vaak de "potentiële nitraatuitspoeling" gemeten: het gehalte van minerale stikstof in de bodem.
Helaas leiden beide benaderingen niet altijd tot dezelfde conclusies; daarom is het nodig om kort in te gaan op de gevonden resultaten van beide methodieken.
Een derde benadering is om de potentiële nitraatuitspoeling te bekijken aan de hand van de totale stikstofbalans in de bedrijfsvoering.
Tot zover dit overzicht.
REFERENTIES
- Bokhorst, J.G., Koopmans, C.J. (2001). Bemesting en bodemgebruik in de biologische landbouw. Louis Bolk Instituut, 58 pp.
- Dekking, A.J.G. (1999). Resultaten O.B.S.1992-1997. PAV-bulletin Akkerbouw.
- Häring, A., Dabbert, S., Offermann, F., Nieberg, H. (2001). Benifits of organic farming for society. European Conference Organic food and farming, Copenhagen.
- Hendriks, K., Stobbelaar, D.J., Van Mansveld, J.D. (2000). De verschijning van de landbouw. Onderzoek naar de landschapskwaliteit van biologische en gangbare bedrijven in West-Friesland. Wageningen Universiteit, 120 pp.
- Kopke, U. (2002). Umweltleistungen des Okologischen Landbaus. Okologie und Landbau 122: 6-18.
- Pinxterhuis, J. B., (2001). Nitrate in groundwater during conversion to organic farming. Occasional symposium on organic grassland farming, European Grassland Federation.
- Scialabba, N.E., Hattam, C., 2002. Organic agriculture, environment and food security. Food and Agriculture Organisation of the United Nations, Rome.
- Snijders, P., Everts, H. (2000). Mineralenbalans, stikstofbinding en waterkwaliteit. Biologische veehouderij en management (Bioveem). Publicatie 144, Praktijkonderzoek Rundvee, Schapen en Paarden.
- Soil Association (2000). The biodiversity benefits of organic farming. Briefing paper.
- Soil Association (2001). Organic farming and the environment. Briefing paper.
- Stobbelaar, D.J., Hendriks, K., (2001). De verschijning van de landbouw. Onderzoek naar landschapskwaliteit van biologische en gangbare bedrijven in Waterland. Wageningen Universiteit, 126 pp.
- Stolze, M., Piorr, A., Häring, A., Dabbert, S. (2000). The environmental impacts of organic farming in Europe. Organic farming in Europe: Economics and Policy; volume 6. University of Hohenheim, 127 pp.
- Vries, G.J.H. de, Middelkoop, N., Weijden, W.J. van der (1997). Milieuprestaties van Eko-landbouw Rapport 325, Centrum Landbouw en Milieu, 26 pp.
- Wieringa, L., (1999) Biologische akker- en tuinbouw en een schoon milieu. Afstudeerverslag van Hall Instituut, 72 pp.