Ketenorganisatie voor duurzame, biologische landbouw en voeding

Nieuws

Activiteiten

  • Tien jarig bestaan Adopteer een Kip
    11-03-2013 tot 31-10-2013

Gedetailleerde info

U vindt hier informatie uit wetenschappelijk onderzoek naar biodiversiteit m.b.t. bodemleven, ongewervelden (insecten e.d), planten, vogels, landschap en agrarische biodiversiteit.  

Bodemleven
Micro-organismen en regenwormen zorgen voor de afbraak van organisch materiaal en spelen daarmee een centrale rol voor de bodemvruchtbaarheid. Over het algemeen bevatten biologische bodems meer micro-organismen en regenwormen dan ‘gangbare’ . Dit heeft te maken met de natuurlijke bemesting (organisch materiaal) en de vruchtwisseling (niet steeds hetzelfde gewas op een perceel). Het aantal soorten micro-organismen is ook groter in biologische bodems, en ze zijn actiever dan in gangbare bodems.
Bron: Haveman & Stortelder 2006

Verbeteringen in de bodem ontwikkelen zich langzaam; duidelijke verschillen zijn pas na een jaar of acht merkbaar. Dit werd aangetoond in het zogenaamde DOK-onderzoek in Zwitserland waarbij al 21 jaar biologische, biologisch-dynamische en gangbare landbouwsytemen worden vergeleken.
Bron: Mäder e.a., 2002

Ongewervelden
Op biologische bedrijven komen 1,6 keer meer kevers, 3 keer zoveel vlinders en 1 – 5 keer meer spinnen voor dan in de gangbare landbouw. De ongewervelden eten plaagdiertjes op (o.a. bladluizen), dragen bij aan de bestuiving van gewassen en vormen zelf een belangrijk onderdeel van het dieet van vogels. 
Bron: Tack, 2006

Haveman en Stortelder (2006) geven diverse verklaringen voor de grotere aantallen ongewervelden:

  • het afzien van chemische bestrijdingsmiddelen
  • de organische bemesting
  • de vruchtwisseling
  • het minder intensief gebruikte landschap.

Al deze factoren leiden tot een vegetatiestructuur met een grotere heterogeniteit, die op zijn beurt de diversiteit bij o.a. kevers, regenwormen en spinnen vergroot.

Ook randen en landschapselementen als heggen zijn van belang voor de diertjes. Grotere dieren die de ongewervelden op hun menu hebben staan, zoals vogels, gedijen ook beter op biologische bedrijven. Over het algemeen geldt dat de rijkdom aan soorten het grootst is bij bedrijven in kleinschalige landschappen. Er zijn gevallen bekend van grootschalige gangbare bedrijven waar de fauna zo was verarmd, dat herstel van de diversiteit na omschakeling naar de biologische teelt niet of nauwelijks optrad.
Bron: Haveman & Stortelder 2006

Planten
In de biologische landbouw komen 5 x meer wilde planten en 57% meer plantensoorten voor dan in de gangbare landbouw. Deze niet-landbouwplanten zijn een onmisbare voedingsbron voor ongewervelden en vogels.
Bron: Tack, 2006

Ook volgens Haveman en Stortelder (2006) noemen veel onderzoeken een positief effect van biologische landbouw op de variatie aan plantensoorten. Op biologische akkers komen 1,5 tot 3 keer meer soorten voor dan op gangbare akkers. In de meeste gevallen neemt ook de biomassa van kruiden sterk toe (2-10x) ten opzichte van de gangbare landbouw. De mate waarin dit gebeurt is afhankelijk van de lokale omstandigheden en de aard van de bedrijfsvoering. Over het algemeen geldt: hoe extensiever de teelt, hoe meer soorten een kans krijgen. Het soorteneffect is afhankelijk van het akkerbouwgewas. Bij hakvruchten (o.a. bieten) en zomergranen profiteerden de planten het meest van een biologische bedrijfsvoering.
Bron: Haveman & Stortelder 2006

Om plantenziektes te voorkomen en het land vruchtbaar te houden, wordt in de biologische landbouw gewerkt met vruchtwisseling (telkens andere gewassen op een perceel). Hierbij worden ook groenbemesters ingezet (o.a. vlinderbloemigen zoals klaver), die de bodem van stikstof voorzien. De vruchtwisseling leidt tot een grotere diversiteit aan gecultiveerde plantensoorten.

Bij graslanden zijn de effecten van biologisch beheer op de diversiteit minder duidelijk dan bij akkerlanden. Soms worden meerdere soorten gevonden in biologische graslanden, soms zijn er geen verschillen. Waarschijnlijk heeft dit te maken met het aantal jaren dat het grasland biologisch wordt beheerd. Na de omschakeling naar biologisch blijft het soortenaantal nog lange tijd laag door een langzame migratie van de nieuwe plantensoorten. De soortenrijkdom is ook gebaat bij een blijvende grasmat; herinzaai van graslanden verlaagt de soortenaantallen. Bij blijvende graslanden heeft biologisch beheer een positief effect op de variatie in plantensoorten.
Bron: Haveman & Stortelder 2006

Vogels 
Veel vogelsoorten (o.a. weidevogels, boerenzwaluwen) profiteren van de biologische productiemethode. Ze komen in grotere aantallen voor en planten zich succesvoller voort dan op gangbare bedrijven. Als belangrijkste oorzaken hiervoor worden aangegeven:

  • de kleinere percelen;
  • de aanwezigheid van meer landschapselementen zoals houtwallen en ongebruikte akkerranden;
  • het afzien van chemische bestrijdingsmiddelen, waardoor er meer voedsel (o.a. insecten) te vinden is;
  • de meer gemengde bedrijfsvoering.

Bron: Haveman & Stortelder, 2006

Uit onderzoek van Jurgen Tack blijkt dat er op biologische bedrijven langs de randen van de velden 25% meer vogels voorkomen dan op gangbare bedrijven. In de herfst en de winter loopt dit percentage zelfs op tot 44%. Verder komen er 2 maal zoveel grondbroedende soorten voor.
Bron: Tack, 2006

Eén van de studies genoemd in het EU-rapport (Stolze e.a. 2000), stelt dat het positieve effect groter is dan men met braakligging zou kunnen bereiken. Het biologische landbouwsysteem als geheel heeft dus een stimulerend effect op de natuur.
Bron: Stolze e.a., 2000

Landschap
Voor de diversiteit van het landschap speelt de biologische landbouw eveneens een belangrijke rol. Denk aan de aanwezigheid van half-natuurlijke elementen zoals houtwallen, heggen en poelen. Dergelijke elementen dragen niet alleen bij aan een gevarieerd landschap, maar zijn ook van bijzonder belang voor de biodiversiteit. Verschillende onderzoekers constateren een groter aantal biotopen op biologische bedrijven dan op conventionele.

Bron: Haveman & Stortelder 2006

Een recente Nederlandse studie van de Wageningen Universiteit (Hendriks e.a., 2000; Stobbelaar en Hendriks, 2001) is positief over de bijdrage van biologische landbouw aan het behoud van het landschap. De auteurs concluderen: "Bij hetzelfde bedrijfstype en hetzelfde landschapstype dragen de biologische bedrijven sterker bij aan de landschappelijke kwaliteiten van de streek dan de gangbare bedrijven. De biologische bedrijven blijken beter in staat om de kenmerkende ruimtelijke en temporele relaties van de streek te benadrukken."
Wel geeft een EU-rapport (Stolze e.a. 2000) aan dat de methodologie om landschappelijke kwaliteit te kunnen beoordelen, weinig ontwikkeld is. De invloed van het biologische bedrijfssysteem is moeilijk te scheiden van de invloed van reeds bestaande landschappen en individueel initiatief. De onderzoekers trekken daarom nog geen harde conclusies.

Agrarische biodiversiteit 
Uit de volgende cijfers blijkt hoe smal de basis is van onze voedselvoorziening:

  • Er zijn 265.000 plantensoorten, waarvan er 7.000 worden geteeld als voedsel- en landbouwgewassen. Slechts 80 plantensoorten eten we in grote hoeveelheden. Tarwe, rijst, suiker en maïs zorgen voor 63% van de plantaardige energie-inname van de mens.
  • Er zijn 4.763 soorten zoogdieren en 9.946 vogelsoorten. Hiervan worden er 40 gekweekt voor voedsel. Slechts 14 soorten leveren 90% van de totale vleesconsumptie.

Een verdere afname van het aantal soorten kan leiden tot een voedselcrisis. Om de wereldbevolking in 2050 (naar schatting 9 miljard mensen) te kunnen voeden, is juist een verdubbeling van de voedselproductie nodig. De biologische landbouw streeft naar het gebruik van meer soorten ter bevordering van de biodiversiteit.

Bron: Tack, 2006

 

Bronnen:

  • De effecten van biologische landbouw op biodiversiteit – een kritisch literatuuroverzicht (Rense Haveman & Anton H.F. Stortelder, 2006)
  • Biologische landbouw als hoeder van biodiversiteit, overzicht van 76 studies uitgevoerd in de periode 1981-2005 (Jurgen Tack, 2006)
  • Organic agriculture, environment and food security. Food and Agriculture Organisation of the United Nations, Rome. (Scialabba, N.E., Hattam, C., 2002)
  • De verschijning van de landbouw. Onderzoek naar de landschapskwaliteit van biologische en gangbare bedrijven in West-Friesland. (Hendriks, K., Stobbelaar, D.J., Van Mansveld, J.D., 2000)
  • De verschijning van de landbouw. Onderzoek naar landschapskwaliteit van biologische en gangbare bedrijven in Waterland. (Stobbelaar, D.J., Hendriks, K., 2001)
  • The environmental impacts of organic farming in Europe. Organic farming in Europe: Economics and Policy; volume 6. University of Hohenheim, 127 pp. (Stolze, M., Piorr, A., Häring, A., Dabbert, S., 2000)
  • Does organic farming benefit biodiversity? (Hole, D.G. e.a.) Biological Conservation 122 (2005): 113-130.
  • Soil fertility and biodiversity in Organic farming. Science Vol 296, 1694-1697. (Mäder e.a. 2002)