Een krop sla zonder gif
Biologische aardappelen, granen en groenten komen van biologische akkerbouw- en tuinbouwbedrijven. De biologische akker- en tuinbouwer gebruikt geen kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen. Hij wijst onnatuurlijke middelen af omdat hij zo milieuvriendelijk mogelijk wil werken. Maar hoe bestrijdt hij dán insectenplagen en planten ziekten? En wat doet hij met onkruid als hij het niet dood mag spuiten?
Vruchtwisseling en sterke plantenrassen
Veel schadelijke insecten en plantenziekten blijven weg door een ruime vruchtwisseling. Dat houdt in dat op een akker niet elk seizoen hetzelfde wordt geteeld, maar dat er steeds iets anders groeit. Bijvoorbeeld het eerste jaar aardappelen, het jaar daarop granen en het derde jaar bloemkool. Pas na zes jaar zijn de aardappelen weer aan de beurt op die akker. Insecten die bijvoorbeeld alleen van bloemkool houden krijgen door de vruchtwisseling geen kans om zich tot plaag te ontwikkelen.
Een andere maatregel om vervelende plagen te voorkomen is het gebruik van sterke plantenrassen. Voorbeeld: Bintje is een zwak aardappelras. Het is heel gevoelig voor aardappelziekten. Santé is een sterk aardappelras. Het heeft niet snel last van infecties. Welk aardappelras zal de biologische akkerbouwer telen?
Natuurlijke vijanden
Wat te doen als er toch nog vervelende ziekten of plagen in het gewas komen? In het geval van insecten heeft de natuur zelf een oplossing op maat. Elk insect heeft namelijk een natuurlijke vijand. Bladluis heeft bijvoorbeeld het lieveheersbeestje als vijand. En omdat lieveheersbeestjes niet het gewas opeten maar alleen de bladluizen, kan de boer ze prima gebruiken om de plaag te bestrijden. Hoe meer natuur er is op het bedrijf, hoe meer lieveheersbeestjes en andere nuttige insecten er in de buurt zullen zijn. Ook bepaalde vogels zijn insecteneters. Veel biologische boeren planten daarom bomen rond hun akkers, ze laten een strook gevarieerde kruiden groeien langs de slootkanten of ze graven een poel om padden aan te trekken. En padden eten slakken. Veel plagen kunnen op die manier onder controle gehouden worden.
Onkruid wieden met de tractor
Door de jaren heen zijn er heel wat handige wiedmachines ontwikkeld. Een voorbeeld is de wied-eg. Dat is een soort grote hark die achter de tractor hangt. Maar de wied-eg is geen perfecte machine. Hij kan het onkruid dat vlakbij het gewas staat, niet weghalen. Dat moet de boer na het eggen dus nog met de schoffel doen. Wieden kost de boer veel tijd. Dat is een van de redenen waarom biologische groenten vaak iets duurder zijn. Een andere oorzaak voor de hogere prijs is al eerder genoemd, namelijk de wat lagere opbrengst.
Planten voeden zich met lucht en mest
Planten hebben behalve water ook voedingstoffen nodig om te groeien. Met hun bladeren halen ze koolstofdioxide (CO2) uit de lucht en met hun wortels halen ze mineralen zoals nitraten en fosfaten uit de grond. De voedingstoffen in de lucht kunnen niet opraken, maar in de grond wél. Daarom moet de boer regelmatig voedingstoffen aan de grond toevoegen. Bemesten heet dat. In de biologische landbouw gebruikt men alleen dierlijke en plantaardige mest. Kunstmest hoort namelijk niet thuis in de natuurlijke kringloop. Dierlijke mest is niets meer en niets minder dan dierlijke ontlasting en urine. Plantaardige resten, al dan niet gemengd met dierlijke mest, kunnen op de composthoop worden omgezet tot een goed werkzame meststof.
Vlinderbloemigen
Om voldoende stikstof in de grond te krijgen voor de groei van gras en ander gewas maakt de biologische boer gebruik van een slimme plantenfamilie die stikstof vanuit de lucht in de grond kan brengen: de familie van de vlinderbloemigen.
De biologische melkveehouder zaait klaver in tussen het gras. Dat lusten de koeien gelukkig ook graag. Klaver behoort tot deze familie van vlinderbloemigen, net als luzerne, bonen en erwten. Heb je wel eens een erwtenplant zien bloeien? De bloemen lijken op een rustende vlinder.
De biologische boer werkt samen met de natuur
Om de voedingstoffen uit de mest te halen, hebben planten hulp nodig van bodemdiertjes. De onmisbare hulptroepen die de mest kunnen afbreken, bestaan uit wormen, insecten, schimmels en bacteriën. Daarnaast doen de bodemdiertjes nog meer nuttig werk. Ze woelen de aarde waardoor het los en luchtig wordt. De biologische boer is dan ook erg blij met deze natuurlijke assistentjes.